In maart 1949 bezoekt de 21-jarige Pierre Alechinsky het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel (het huidige BOZAR) om de allereerste tentoonstelling van de COBRA-groep te bekijken. Tussen de kleurrijke schilderijen ontmoet hij een lange jonge man in een lange jas: de 26-jarige Christian Dotremont. Hij is een jonge schrijver, wiens poëzie al de aandacht heeft getrokken van Magritte en Ubac. Tijdens de oorlog is hij naar Parijs gevlucht, waar hij zich in de kunstwereld heeft begeven en zelfs een vaste gast werd in het atelier van Picasso. Een jaar eerder, in 1948, richtte hij samen met enkele bevriende schilders en dichters een experimentele groep op, die hij de naam COBRA gaf.

Alechinsky, die net was afgestudeerd aan de kunstschool La Cambre, ontdekt op de tentoonstelling een nieuwe schilderstijl. Hij is onder de indruk van het werk van de Deense kunstenaar Asger Jorn, vooral van een schilderij waarin Dotremont een gedicht heeft verwerkt. Enthousiast sluit hij zich aan bij het avontuur. Hij helpt Dotremont bij het organiseren van tentoonstellingen en maakt beelden en teksten voor het tijdschrift van de beweging. “COBRA was mijn school,” zal hij later zeggen. Samen met vrienden vormt hij een gemeenschap in een huis in de Maraisstraat (Broekstraat) in Brussel, dat het “Onderzoekscentrum” van COBRA wordt. Dotremont, die niet ver daarvandaan in de Strostraat (Rue de la Paille) woont, is de “secretaris-generaal” van de groep.

Het COBRA-avontuur eindigt al in 1951. Dotremont en Jorn, beiden tuberculosepatiënten, worden opgenomen in hetzelfde sanatorium, waardoor Alechinsky alleen de laatste COBRA-tentoonstelling in Luik moet organiseren. Maar zoals Dotremont later zal schrijven: COBRA was nooit zo levendig als na zijn dood!
De twee vrienden blijven samenwerken, zelfs nadat Alechinsky naar Parijs verhuist. In de jaren 50 maken ze samen schilderij-gedichten – op hetzelfde doek schildert Alechinsky, terwijl Dotremont er een gedicht bij schrijft – een voortzetting van de COBRA-experimenten.



Beiden voelen zich aangetrokken tot het Verre Oosten, de Chinese schrifttekens en kalligrafie. Alechinsky raakt bevriend met de Chinese schilder Walasse Ting en besluit naar Japan te reizen (China is als communistisch land op dat moment verboden terrein voor bezoekers). Hij maakt er een film, Japanse kalligrafie, en vraagt zijn vriend Christian om de commentaartekst te schrijven.
Rond dezelfde tijd maakt Dotremont zijn eerste reis naar het Hoge Noorden, naar Lapland. Hij keert terug met een traditionele Lapse muts met vier punten. Alechinsky tekent hem met deze muts op. Dit portret zal beroemd worden en Alechinsky zal het beeld van een man met snor en puntmuts vaak in zijn werk herhalen.
In 1962 begint Dotremont zijn geschreven poëzie te tekenen en schilderen. Zo ontstaan zijn logogrammen. Pierre Alechinsky bewondert de originaliteit van zijn vriend en zijn talent om het evenwicht tussen zwart en wit op de pagina te bewaren.
In 1966 komt het tot een breuk tussen de twee vrienden. Pierre is inmiddels beroemd in Parijs, terwijl Christian arm en ziek in Tervuren leeft. “Ik heb jou leren schrijven, maar jij hebt mij niet leren schilderen,” verwijt Dotremont hem. Toch zal hij in de jaren erna prachtige logogrammen maken, wat zijn eigen uitspraak tegenspreekt.

In 1970 tonen de twee vrienden de wijsheid en moed om hun vriendschap te herstellen. Ze schilderen opnieuw samen, “met vier handen”, waarbij ze een gemeenschappelijk talent tonen voor vloeiende lijnen.
Alechinsky koopt veel van Dotremonts logogrammen en heeft de grootste verzameling ter wereld. In 1972 reist hij naar Tervuren voor de opnames van een film over Dotremont. Datzelfde jaar stelt hij voor om samen met hem het Belgische paviljoen op de Biënnale van Venetië te delen.
In augustus 1979 is de 56-jarige Dotremont in een kritieke gezondheidstoestand. Alechinsky krijgt het nieuws via de telefoon en haast zich naar de vriend die hij als een broer beschouwt. Pierre is aan zijn zijde wanneer Christian sterft. Na zijn dood blijft hij zich inzetten om het unieke werk van Dotremont erkend en tentoongesteld te krijgen, onder andere in het Centre Pompidou in Parijs in 2011.

Tekst: Pieter De Reuse




